Opgroeien met weinig woorden

30 januari 2026 in NRC Weekend

Ze leerde pas later dat er meer gevoelens zijn dan ‘boos’ en ‘verdrietig’

Kinderen die opgroeien met laaggeletterde ouders kunnen daar nog lang last van houden. Met een kleinere woordenschat is het moeilijker genuanceerd te zijn, wat ruzies en sociale uitsluiting in de hand werkt.

Tamara van den Heuvel was een jaar of negen toen haar ouders haar voor het eerst brieven van instanties gaven. Van de Belastingdienst, het energiebedrijf, de gemeente, vooral als het om geld ging. Of ze kon vertellen wat er precies in stond. Ze las de brieven aandachtig door, woorden die ze niet begreep zocht ze op in een woordenboek en las de zinnen opnieuw. En nog eens. En nog eens. Totdat het haar duidelijk was.

Jarenlang gidste ze haar ouders door ambtelijke en administratieve doolhoven. Op haar zestiende had ze er genoeg van. ’s Ochtends vroeg, nog voordat ze naar school zou fietsen, riep ze tegen haar ouders ‘bekijk het ook maar!’ terwijl ze een bank- document op de keukentafel smeet.

Tot diep in de nacht had ze uit de papieren op verzoek van haar ouders proberen op te maken hoe de spaarregeling die haar ouders voor haar en haar broertje hadden afgesloten, zou eindigen nu de termijn erop zat. Ze worstelde zich door de taaie tekst, spelde moeilijke woorden en herlas zinsconstructies totdat ze ze snapte.

Na een paar uur slaap liep ze ’s ochtends met haar schooltas in de ene en het document in de andere hand naar de keuken. Tevreden en ook een beetje trots dat ze haar ouders ging vertellen dat de bank een vergissing had gemaakt en ze de verklaring niet moesten ondertekenen. Maar daar dacht haar vader anders over. Dit gaan we gewoon afhandelen, maakte hij meteen duidelijk, zonder te zeggen waarom. Zijn reactie voelde als een afwijzing. Had ze de halve nacht voor niets zitten puzzelen.

„Er knapte iets”, zegt ze dertien jaar later tijdens een gesprek bij haar thuis, een eengezinswoning in een dorp in het noorden van het land. Misschien was het slaapgebrek, misschien was het de opgekropte spanning vanwege de ruzies thuis, opgeteld bij de verantwoordelijkheid die ze voelde, die steeds zwaarder op haar drukte. „Ik trok mijn jas aan en sloeg de deur met een klap achter me dicht.”

Deze middag heeft ze zich genesteld op de grijze bank, een ranke gestalte, kleine ogen in een hartvormig gezicht. Door het beroep dat haar ouders op haar deden is ze snel volwassen en zelfstandig geworden, vertelt ze. Ze haalt haar schouders op, als teken dat het haar niet uitmaakt. Het zij zo. Waar ze tot op de dag van vandaag wel last van heeft is dat er thuis maar weinig woorden waren voor gevoelens. „Als ik huilde werd mij niet gevraagd waarom ik verdrietig was, maar riep mijn vader: stop met huilen!”

Jaren later koppelde Tamara van den Heuvel het gebrek aan ruimte voor emoties aan het letterlijk moeite hebben met gevoelens onder woorden te brengen, er geen woorden en formuleringen voor kunnen vinden. Zo groeide ze op met de gedachte dat emoties er niet zijn om te uiten. Ondanks jaren therapie kan ze op haar dertigste in een gesprek nog steeds blokkeren als het over gevoel gaat, terwijl ze zichzelf wel een toereikende woordenschat heeft eigen’gemaakt. „Zelfs bij goede vrienden kan ik helemaal dichtklappen als ik me ongezien voel, of als iets me dwarszit. Ik wíl het wel zeggen, maar de woorden blijven ergens steken.”

Schrijvend komen de woorden wel, dus reageert ze vaak later, in een app. In de loop van haar leven heeft ze haar „emotionele woordenboek” uitgebreid. „Ik heb geleerd dat er meerdere nuances zijn, niet alleen ‘boos’ of ‘verdrietig’, en dat stress bepaalde gevoelens kan versterken.”

Grotere kans

Volgens de Stichting Lezen en Schrijven is ongeveer een op de negen ouders laaggeletterd. Over het algemeen geldt: hoe geletterder de ouders, des te geletterder de kinderen en des te makkelijker ze kunnen meekomen op school. Geschat wordt dat kinderen van laaggeletterde ouders 30 procent kans hebben ook laaggeletterd te blijven.

Maar ook als de kinderen wél goed leren lezen en schrijven kunnen ze hun leven lang de gevolgen van opgroeien in een taalarm gezin ervaren, constateerde socioloog Natascha Notten in haar vorig jaar gepubliceerde onderzoek Intergenerationele overdracht van laaggeletterdheid. Notten onderzocht vanuit het perspectief van kinderen hoe het is om op te groeien in een laaggeletterd gezin met Nederlands als moedertaal.

Met 1-0 achter

Uit gesprekken met hen, waarin ze er als volwassenen op terugblikken, blijkt dat velen weliswaar de Nederlandse taal voldoende beheersen, maar moeite blijven houden met wat Notten„de juiste sociale taalcode voor een bepaald moment en in een bepaalde context” noemt. „Ze kunnen moeilijk nuanceringen aanbrengen en schieten in een situatie waarin dat wel verwacht wordt snel in een ondergeschikte rol. Omdat ze wat eenvoudigere taal gebruiken, kunnen ze bijvoorbeeld bozer overkomen dan ze zijn, of minder slim. Dan sta je al 1-0 achter.”

Notten herkent de blokkades waarmee Tamara van den Heuvel kampt. Een van de inmiddels volwassen kinderen die Notten voor haar onderzoek interviewde gaf als voorbeeld dat ze moest wennen aan het feit dat je gewoon kunt uitspreken dat je van iemand houdt, dat daar geen cadeautjes voor nodig zijn. Als je niet de woorden hebt voor affectie of emotie, ben je ook niet gewend of durf je deze gevoelens niet te uiten.

Praten was lange tijd ook geen sterke kant van Femke Reijnen (46), een in haar eigen woorden „bescheiden Limburgse”, kind van een analfabete moeder („ze kon niet veel meer dan haar naam schrijven”) en een laagopgeleide vader die weinig thuis was.

Toch leek alles lange tijd normaal in het kleine gezin. Het huishouden draaide zonder al te grote problemen, voor de financiën zorgde haar vader met wat hulp uit zijn omgeving. Hij was het ook die een briefje voor Femkes school schreef als dat nodig was. Als ze ’s ochtends beneden kwam zag ze haar ouders aan de ontbijttafel De Limburger lezen; ze wist niet dat haar moeder alleen de foto’s bekeek en er haar eigen verhalen van vlocht. Eén keer deed haar moeder een poging werk te maken van haar taalachterstand en maakte ze een afspraak met de huisarts. „Mevrouw Reijnen”, reageerde deze, „ieder mens heeft recht op zijn eigen geheim.” En dat was dat.

Op de basisschool was het Nederlands van Femke Reijnen onder de maat, vermelden de rapporten, met veel spelfouten en problemen met grammatica. In groep 5 was haar woordbeeld „onvoldoende ontwikkeld” en liep ze achter met lezen. Ze sloot dat jaar af met een advies in hoofdletters en veel uitroeptekens: „Veel lezen!!!” De school „voorziet problemen in gr 6” en stelt haar ouders voor „gestructureerd huiswerk te geven”. Dat dat een kansloze optie was, daar hadden ze op school geen notie van. Uit de Citotoets („wist ik veel wat dat was”) rolde een huishoudschooladvies. Ongelooflijk, vindt Femke nu als geslaagde hbo’er. „In een ander gezin was ik naar de havo gegaan, of misschien wel het vwo.”

Zij hoefde thuis de administratie niet op orde te houden, daar werd voor gezorgd. Maar er was weinig aandacht voor waar zíj hulp bij nodig had. Spanningen tussen haar ouders en moeizaam contact met haar licht ontvlambare moeder voedden haar onzekerheid. „Toen ik op de huishoudschool zat en ik kooklessen volgde, kregen mijn moeder en ik weleens ruzie met elkaar in de keuken. Dat was haar domein en alles moest op de manier zoals zij het had onthouden. Als ik een recept uit een kookboek voorstelde, werd het strijd. Dat kwam doordat zij niet kon lezen en zich schaamde, maar dat wist ik niet.” Toenze achttien was en moeder en dochter voor de zoveelste keer stonden te bekvechten, brak het dunne lijntje. Femke Reijnen nu: „Ik voelde dat er al heel lang iets aan de hand was, iets wat ze nooit uitsprak. Als kind betrek je dat op jezelf, ik dacht dat ik iets fout had gedaan en was wanhopig. Ik beet haar toe: En nu moet je zeggen wat er aan de hand is, anders ga ik weg! Toen bekende ze dat ze niet kon lezen en schrijven. Ik stond perplex.”

Hoe ze er nu naar kijkt: haar moeder heeft zich haar leven lang minderwaardig gevoeld door haar analfabetisme. Ze verborg zichzelf, kon geen woorden geven aan haar echte gevoelens en voelde zich afgewezen, ook door haar man, die vaak afwezig was. In plaats van dingen uit te praten kwam er boosheid of kwamen er verwijten over haar lippen. „Dan riep ze bijvoorbeeld dat ik altijd weg was en zeker liever bij anderen wilde zijn.” Een aanzet tot een gesprek of meningsverschil leidde al snel tot stemverheffing of slaande deuren, ook tussen haar vader en moeder. „Er was geen gesprek, het bleef bij verwijten in oneliners.”

De muren van het taalhuis

Om taal goed te leren is een fundament nodig, zegt Marion van den Heuvel, universitair hoofddocent bij Tilburg University en gespecialiseerd in babybreinontwikkeling en taalstimulering. Dat fundament begint al tijdens de zwangerschap, als de foetus de geluiden van de moeder en anderen hoort, en wordt opgebouwd tot ongeveer het tweede levensjaar. Na het fundament volgen de muren van wat zij het „taalhuis” noemt: klanken oefenen, communiceren, woorden leren en zinnen formuleren, woordgrappen en beeldende taal begrijpen. „Als dat allemaal goed gaat”, zegt Van den Heuvel, „is het huis van je moedertaal compleet”. Maar zonder fundament wordt het dus lastig.

Van den Heuvel ziet kinderen die prima voorwerpen bij naam kunnen noemen (‘beertje’), maar slecht onder woorden kunnen brengen hoe ze zich voelen. Ze kennen geen woorden in het grijze gebied tussen ‘boos’ en ‘blij’. Je woordenschat is belangrijk voor wat ze „zelfregulatie” noemt: onder woorden brengen wat er met je gebeurt. „Iedereen heeft een stemmetje in zijn hoofd: even rustig blijven nu, niet in paniek raken… dat helpt je om om te gaan met dagelijkse situaties. Kinderen op de basisschool die niet goed kunnen praten gaan uit onmacht duwen, bijten en slaan. Dat kan dan weer leiden tot uitsluiting of gepest worden.”

Aan dat stemmetje ontbrak het tijdens de basisschoolperiode van Femke Reijnen. Omdat ze slecht kon lezen was elke voorleesbeurt een kwelling. „Ik las woord voor woord, voelde me gespannen en opgelaten, waardoor het juist niet lukte en andere kinderen begonnen te gniffelen. Als ik moest huilen, wist ik wel wat huilen was, maar waarom dat precies gebeurde realiseerde ik mij niet.”

Reijnen heeft haar leesachterstand volledig ingehaald, maar de sociaal-emotionele gevolgen van het taalarme gezin waarin ze opgroeide droeg ze lang met zich mee. Het heeft „jaren therapie” gekost om haar extreme onzekerheid te overwinnen. „Dat mijn gevoelens er mogen zijn en dat ik die onder woorden mag brengen, en hoe ik dat moet doen, heb ik moeten leren. Het heeft veel gekost voordat ik tegen een vriendin die altijd te laat kwam, durfde te zeggen dat ik dat vervelend vond. Ik probeer een voorbeeld te zijn voor mijn kinderen. Als mijn dochter een afspraak met een vriendinnetje niet durft af te zeggen omdat ze moe is, praten we erover en vinden we samen een oplossing.”

Stroeve communicatie

Tamara van den Heuvel was, vertelt ze, van jongs af aan een fanatiek lezer, de boeken leende ze zelf in de bibliotheek. Ze haalde het havodiploma zonder veel problemen. Ze had tijd nodig om uit te zoeken welk werk bij haar past en maakte de eerste opleidingen niet af. Onlangs is ze begonnen met een opleiding tot beveiliger, maar ze hoopt ooit in de uitvaartbranche te kunnen werken. Haar moeder en zij zien elkaar regelmatig, al is de communicatie soms nog wat stroef, doordat ze elkaar niet altijd goed begrijpen.

Toen ze uit huis ging, nam Femke Reijnen zich voor: allesbehalve het leven van mijn ouders. Stip op de horizon was een universitaire studie, hoe dan ook. Dat lukte, via een jarenlang traject van opleidingen tot onder meer hovenier, sociaal-cultureel werker, docent levensbeschouwing en maatschappijleer en trainingsacteur. Het zal te danken zijn aan haar vasthoudende karakter, vermoedt ze. En op het juiste moment de juiste beslissingen nemen, zoals een intelligentietest doen die bevestigde dat ze heel goed meekon in het hoger onderwijs. Inmiddels is ze projectleider basisvaardigheden bij een provinciale instelling die bibliotheken ondersteunt. Ze heeft haar werk gemaakt van haar eigen ervaringen.

Femke Reijnen heeft een gezin met twee kinderen, van negen en dertien, waarin volop wordt gelezen en gepraat. De relatie met haar moeder is de laatste jaren sterk verbeterd. „We maken geen ruzie meer”, zegt ze nu. „Ik snap nu hoe moeilijk het voor haar als analfabeet geweest moet zijn mij niet te kunnen ondersteunen bij dingen voor school, in sociale omgang met vrienden of in het maken van studiekeuzes. Telkens het gevoel te hebben tekort te schieten. Het verleden kunnen we niet veranderen, maar we kunnen deze gedeelde ervaring wel gebruiken. In mijn leven was er een huisarts die het verschil had kunnen maken, maar ook leerkrachten, familieleden, vrienden, buren of vrijwilligers bij een sportclub. Door te praten met mensen die niet goed kunnen meekomen en te vragen wat iemand nodig heeft. Dat is de verantwoordelijkheid van ons allemaal.”

Taalarmoede

In Nederland hebben ongeveer drie miljoen mensen tussen de 16 en 75 jaar moeite met lezen en/of rekenen. Deze groep wordt vaak aangeduid met ‘laaggeletterd’. Veel van hen kunnen zich met hulp van naasten redden in de maatschappij.

Een kleinere groep heeft al moeite eenvoudige teksten te begrijpen of relevante informatie uit een bijsluiter te halen. Deze groep heeft een hoger risico op werkloosheid en een slechte gezondheid. Ongeveer de helft van de ‘laaggeletterden’ heeft Nederlands als moedertaal.

Lees hier de pdf van het verhaal in NRC Weekend

Dit verhaal is een bewerking van een van de hoofdstukken in ‘Onleesbare wereld – het dubbelleven van laaggeletterden’, in oktober verschenen bij Uitgeverij Balans. Zie onleesbarewereld.nl