Een stoel van gestapelde vodden

Dutch Design is zoals de Hollanders: nuchter en nieuwsgierig, onderzoekend en eigenwijs. De nieuwste generatie ontwerpers voegt er graag iets aan toe: idealisme.

Voor de bezoekers van de wereldberoemde Salone del Mobile in Milaan was het in het voorjaar van 1993 even wennen: Een kast van sloophout, een ‘kroonluchter’ samengesteld uit 85 gloeilampen, een stoel van gestapelde vodden. De spraakmakende ontwerpen waren van een bijeengeraapte verzameling ontwerpers uit Nederland, die hun presentatie ‘droog design’ noemden. Kenmerkend was namelijk de eenvoud en de ‘droge’ humor. De internationale pers schreef enthousiast over ‘a new wave of Dutch design’: Hollandse nuchterheid met een twist.

Maar ‘Dutch design’ kwam niet uit het niets: al in 1919 (inmiddels honderd jaar geleden!) timmerde Gerrit Rietveld in zijn werkplaats in Utrecht een indertijd even baanbrekend ontwerp: een Rood-Blauwe Stoel. Vijftien jaar later volgde de kratstoel, gemaakt van gebruikt vurenhout en te koop als bouwpakket. Hergebruik van materiaal, ontwerp met een twist: Dutch Design avant la lettre!

Het succes van de Droog-ontwerpers in Milaan legde de basis voor Nederlandse ontwerpers die nu tot de wereldtop behoren: Marcel Wanders, Maarten Baas en Hella Jongerius, om er maar een paar te noemen. Een beroemd ontwerp van Hella Jongerius is de Soft Urn (1993), een archetypische vorm uit de prehistorie maar gemaakt uit modern, plooibaar polyurethaan. Marcel Wanders verbaasde met de Knotted Chair (1995), geknoopt van een nieuwe vezel die hij ontdekte op de afdeling vliegtuigbouw van de TU Delft. De bekende macramé-techniek uitgevoerd in high-tech materiaal: vertrouwd en vervreemdend tegelijk.

Springlevend

Ontwerpen als de Knotted Chair werden iconen van Dutch Design en aangekocht door toonaangevende musea. Andere vonden hun weg, via bijvoorbeeld Ikea, naar de huiskamer. In de loop der jaren veranderden de materialen en technieken, maar bleef Dutch Design experimenteel, nuchter en eigenwijs en groeiden de ‘typische Nederlandse ontwerpen’ uit tot een belangrijk exportproduct, geholpen door subsidies van de overheid.

Dat Dutch Design springlevend is, maar zich heeft aangepast aan de tijd, bewees een tentoonstelling eind vorig jaar in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Onder de titel Dream out loud droomden zesentwintig ontwerpers hardop over een betere wereld. Zij presenteerden ontwerpen die volgens hen oplossingen aandroegen voor actuele problemen. Minder afhankelijkheid van vlees? Bedenk je eigen vleesvervanger. Oceanen vergiftigd met plastic? Bouw een gigantische ‘zeestofzuiger’! Deze ontwerpers laten zien hoe hergebruik kan werken: hippe mode uit collectierestanten, sieraden van oude bouwhelmen, een 3D-geprinte stoel van overbodige CD’s.

De ironie is verdwenen, het eigenwijze en de humor is gebleven. Meer dan ooit is Dutch Design ook een concept, een idee voor een ideaal.

 Reststromen

‘De nieuwe generatie wil ook ontwerpen voor een maatschappelijke meerwaarde’, beaamt Dries van Wagenberg, een van de programmamanagers van Dutch Design Week in Eindhoven, in Nederland het belangrijkste evenement voor design met jaarlijks een groeiend aantal bezoekers uit binnen- en buitenland. ‘Veel jonge ontwerpers zijn bezig met natuurlijke materialen als grondstof, gebruiken reststromen of ontwerpen circulair design, waarbij de grondstof weer terugkomt.’ Als voorbeeld noemt hij Tom van Soest, die bedacht hoe je bakstenen van bouwafval kunt maken. In Rotterdam is het eerste huis ermee gebouwd. Een ander voorbeeld is Dave Hakkens, die wil laten zien hoe we afval kunnen verminderen. Hij ontwierp een modulaire telefoon, die je niet hoeft weg te gooien als er een upgrade is, makkelijk te repareren en aan te passen is. De ‘Phonebloks’ trok internationaal de aandacht, ook van Google. Van Wagenberg: ‘Dave Hakkens wil vooral een verandering aanjagen, de wereld laten zien dat het anders kan’.

Gepubliceerd in Na!School |  maart 2017

Geef een antwoord