Het verloren paradijs van Jacob Rijpstra

De komst van een afvalverbrandingsoven aan de Friese Waddendijk zorgt al acht jaar voor onrust onder omwonenden. Toen de eieren van hobbyboeren besmet bleken met het giftige dioxine wisten ze het zeker: die oven deugt niet. Over het verloren paradijs van hobbyboer Jacob Rijpstra en de strijdlust van toxicoloog Abel Arkenbout. 

De monumentale hoeve van Jacob Rijpstra in het Friese Wijnaldum is veranderd van een Hof van Eden in een belegerde vesting. Rijpstra kocht de boerderij 24 jaar geleden. Op deze plek hadden hij en zijn vrouw hun kinderen grootgebracht. Onder de grote handen van vader was de diepe tuin langzaam uitgegroeid tot een paradijselijke plek met bloemenborders in alle kleuren, fruitbomen en groentebedden. Hij bouwde er een tuinhuis en toen steenmarters op een nacht een paar kippen doodbeten, kwam er ook een stenen kippenhok.
Inmiddels is hij 62 en met pensioen. Maar van een onbezorgde oude dag is geen sprake. Hij is geopereerd aan prostaatkanker. Zeker weet hij het natuurlijk niet, veel mannen krijgen prostaatkanker. Maar het mogelijke verband met de afvalverbrandingscentrale bij de dijk laat hem niet meer los. In de eieren van zijn kippen is vorig jaar een veel te hoog gehalte van het giftige dioxine gevonden. Hoe kan dat? Hij geeft zijn kinderen geen bladgroente meer mee naar huis. Dioxine is immers juist gevaarlijk voor jonge kinderen, hun kleinkinderen.
Het was een enorme klap. Sinds kort weet hij dat hij een sterk verhoogd dioxine-gehalte in zijn bloed heeft. Hij, de zeeman die altijd zo op gezond eten was, van de natuur houdt, in een paradijs woonde, heeft gif in zijn bloed. Hij wijst naar zijn arm.

‘Ik zei tegen de huisarts: doe maar een paar aderlatingen. Dan moet mijn bloed toch weer schoon worden?’

De kippen, de moestuin, de bloemenpracht: er is niets meer aan. ‘Mijn Hof van Eden is vernietigd’, zegt Jacob Rijpstra gelaten. De zeemanshanden liggen stil op de keukentafel, zijn ogen staan donker. ‘In één klap vernietigd door de afvaloven’.

Zoutfabriek
Het begon met een bericht in de Leeuwarder Courant, in de zomer bijna negen jaar geleden. Er zou een afvalverbrandingscentrale worden gebouwd in Harlingen, op het industrieterrein net achter de dijk van de Waddenzee. Jacob Rijpstra had het gelezen en sprak er zijn dorpsgenoot Sikke Jellema over aan op de verjaardag van diens vrouw. Jellema wist ook van niets. ‘Kom morgen bij mij’, had Rijpstra gezegd. ‘Dan gaan we in actie.’ ‘Afvaloven Nee’, noemden ze hun stichting, die weldra steun kreeg van de Waddenvereniging en de Friese Milieu Federatie. Dat het zo’n taaie strijd zou worden, hadden de twee mannen niet verwacht.

De afvalverbrandingscentrale moest de kroon worden op de activiteiten van Omrin, de handelsnaam van Afvalsturing Friesland N.V. en zusterbedrijf Fryslan Miljeu, waarvan alle aandelen in handen zijn van de Friese gemeenten. Naast het inzamelen, scheiden en reinigen van afval zou er nu ook een eigen verbrandingscentrale voor reststoffen komen. Zo beheerste Omrin, Fries voor kringloop, de hele afvalketen. Andere bedrijven op het industrieterrein, zoals zoutfabriek Frisia, zouden de restwarmte kunnen afnemen en er zouden 35 hoog opgeleide mensen kunnen werken. De kleine haven van Harlingen zou, kortom, een stuk bedrijviger worden.
Gemeente en provincie verstrekten de benodigde vergunningen, maar al snel volgde de ene na de andere bezwarenprocedure, meestal begonnen door de stichting van Rijpstra en Jellema. De stemming in Harlingen en omstreken werd er niet beter op. In mei 2009 deed de Leeuwarder Courant verslag van een demonstratie voor het stadhuis, waar de bezwaarschriftencommissie bijeen was.

‘Waar het om gaat zijn de mensen die nu massaal de dupe worden door de komst van de vuiloven’, zei een vertegenwoordiger van Dorpsbelang Wijnaldum tegen de commissie. ‘Naar hen luistert niemand meer’. Buiten stonden met spandoeken behangen tractors en toehoorders met protestborden: ‘Onze toekomst gaat in rook op’.

De bouw van de verbrandingscentrale was toen al aan de gang. Het wordt een schoon, modern en duurzaam bedrijf, beloofde Omrin. Maar dat geloofden maar weinigen.
Het kleine maar vasthoudende groepje actievoerders blijft aandacht vragen voor veel meer bezwaren en onbeantwoorde vragen. Hoe zit het met de schoorsteen van de centrale die niet de vereiste 110 maar 44 meter hoog is? Is hij zo laag omdat hij zo nog net aan de eisen van de vergunning voldeed? Waarom is hij veel te groot voor het afval dat Friesland produceert? Daardoor rijden er nu al vrachtwagens uit andere regio’s naar Harlingen en worden zelfs scheepsladingen uit Engeland aangevoerd.
Fel zijn de actievoeders ook op de ‘gebrekkige rol’ van de provincie als toezichthouder op milieuvoorschriften. De overheid die de overheid controleert, dat kan niet goed zijn, redeneren ze. Het lijkt er sterk op dat het nooit meer goed komt tussen de actievoerders en de vuilverbrander en daarmee ook de overheid: de gemeenten als aandeelhouder en de provincie als vergunningverstrekker.
Jacob Rijpstra had er aan de keukentafel al zijn hoofd om geschud. ‘Ik had al geen hoge pet op van de volksvertegenwoordigers. Zij hadden de bouw kunnen stoppen, maar hebben het niet gedaan. Waarom meten ze de uitstoot van die pijp niet? Wat is er makkelijker?’

De eieren
Dat de eieren van hun kippen niet in orde zijn, weten Rijpstra en andere hobbyboeren sinds augustus vorig jaar, toen Abel Arkenbout (bos warrige krullen, sikje en heldere blauwe ogen)
had aangeklopt. Arkenbout, een zelfstandig toxicoloog uit Harlingen, wilde eieren van hobbyboeren onderzoeken. Hij wist: als de omgeving vervuild is kun je dat zien in de eieren. Het overgrote deel bleek boven de Europese norm voor dioxine en dioxine-achtige pcb’s te zitten.
Onderzoek in opdracht van de GGD, het RIVM en de NVWA bevestigde de verhoogde dioxinewaarde bij vier van de zes adressen. De bevindingen leidden tot angst en verontwaardiging in de dorpen. Hoe komt die dioxine hier en is het gevaarlijk? Alle vingers wezen al snel naar de afvalcentrale. Maar dat die de boosdoener is, daar wilden de landelijke instanties niet aan. Uit eerder onderzoek is namelijk bekend dat in het hele land vervuilde grond de belangrijkste bron is voor dioxines in eieren van kippen met vrije uitloop. Dioxine komt voor in bijvoorbeeld verbrandingsresten en oude bouwmaterialen en wordt niet afgebroken. Een flink vuurtje in de tuin of as van de barbecue kan de grond al verontreinigen.
Dat zal hier ook het geval zijn, verwachtte onder meer het RIKILT, het laboratorium van Wageningen UR. Er volgde een landelijk onderzoek  naar eieren van 62 hobbyboeren die zich vrijwillig meldden. Ook die eieren waren vervuild. Omdat de metingen ‘geen regionale verschillen’ aantoonden, wordt de vervuiling in Harlingen niet als uitzonderlijk beschouwd.

Toxicoloog Abel Arkenbout is verbijsterd dat er niet gezocht is naar de bron van vervuiling (‘onderzoek de pijp!’) en zet grote vraagtekens bij het onderzoek, onder meer omdat dat volgens hem niet representatief was. Bovendien: de helft van de eieren uit het landelijke onderzoek was ‘veilig’, in Harlingen was geen van de eieren dat. Zijn conclusie: ‘In Harlingen is het dus erger.’
Voor wat hem en andere omwonenden betreft is de afvaloven nog lang niet vrijgepleit. Dat er volgens hen ‘terugkerende storingen’ in de installatie zijn, helpt niet mee. Tijdens een storing verdeelt de rook uit de schoorsteen zich niet netjes, maar slaat in de omgeving neer op de boerderijen en de grond waarin de kippen scharrelen.
Arkenbout schenkt in zijn nieuwbouwwoning aan de rand van Harlingen nog een keer koffie in, met een stukje gember voor de pit. Ooit testte hij xtc-pillen op house parties. Wat hij nu doet is meer zijn ding. ‘Onafhankelijk onderzoekers zoals ik zijn er bijna niet’. Onder het motto ‘Meten is weten’ werkt zijn Stichting Toxicowatch door tegen vervuiling van het milieu. Hij voert lange mailwisselingen met de onderzoeker van het RIKILT, loopt de deur bij de gemeente plat, verzamelt internationale bronnen, beantwoordt mail van bezorgde bewoners en bedankt ze voor de foto’s die ze nemen van onbeschermd afval bij de centrale en rook over hun boerderij. Afgelopen zomer was hij uitgenodigd voor een internationaal wetenschappelijk congres over dioxine in Spanje. Daar hadden zijn collega’s met grote belangstelling kennis genomen van zijn laatste onderzoek, naar vervuilende stoffen in de haven van Harlingen. Ook de vervuiling van het water zou het resultaat kunnen zijn van de afvaloven.
De onvermoeibare toxicoloog vestigt zijn hoop op de gemeente Harlingen en de provincie Friesland, die een voorstel voorbereiden om wel naar de bron van de dioxinevervuiling te zoeken. In februari staat de afvaloven weer op de agenda van de gemeenteraad. Op de nieuwjaarsreceptie van de gemeente heeft Arkenbout iedereen in elk geval een gezond 2015 gewenst.

Stille verkoop
Jacob Rijpstra wijst ons de weg naar zijn kippen. Als hij de deur van de ren opent, stuiven de dames enthousiast de tuin in. Hij wijst in het rond: ‘Misschien is hier ooit iets verbrand, maar het zou wel heel toevallig zijn als de kippen juist daar in de grond hebben gepikt. Ze scharrelen op een groot stuk land.’ Om het kwaad vanaf zijn Hof van Eden niet meer te hoeven zien heeft hij een 61 centimeter dikke muur gebouwd rondom zijn hele tuin. Meer dan manshoog, twee jaar lang zorgvuldig gemetseld van oude stenen. De muur is voor het oog, dat weet hij ook wel. De vuilverbrander gaat er niet van weg.
Maar zijn boerderij werd een vesting.

afvaloven met pluim over dijk groot

Elke dag trekt hij na het ontbijt bij de deur zijn buitenschoenen aan en loopt door de tuin, over het grasveld naar de enige poort in de muur. Daarachter scharrelt hij wat rond tussen de bomen, inspecteert de uilenkast en richt zijn blik op de windmolens bij de dijk, aan de einder naast de afvalcentrale. De traag draaiende wieken verraden de windrichting. Het is wel vaker dat de wind zijn kant op staat, weet de zeeman Rijpstra. Op die momenten moet het zijn gebeurd. Zijn er wolken met rommel zijn overgekomen. Waar hij middenin stond. En zijn kippen erbij.
De boerderij met al het land eromheen staat in de stille verkoop. Hij en zijn vrouw, ze willen weg van deze plek; ooit een droom, nu een belegerde vesting.
Abel Arkenbout begrijpt dat. Het wakkert zijn strijdlust alleen maar verder aan. ‘Als klein kind zag ik hoe mijn geboortegrond werd vernietigd door de niets ontziende petrochemische industrie. Ik probeer iets te doen, zodat de nieuwe generaties nog een beetje de kans krijgen om te genieten van deze mooie aarde.’

 

Bewaren

Bewaren

Geef een antwoord